Religie

PicoSearch
  • Egyptische mythologie - 2008-02-21
  • Religieus reveil - 16 april 2007
  • Het concept 'God' - 2 oktober 2003
  • 'Het iets is een curieuze structuur van het niets' - 9 september 2003
  • Werelden in en door mekaar - 2 augustus 2002
  • Alles reflecteert in alles - 2 januari 1994
  • Het mysterie van zijn en niet-zijn - 29 december 1991
  • God - 21 februari 1988
  • Symboliek in de mythologie - 29 juli 1986
  • Het paasfeest - april 1986
  • Karma en keuze - 3 januari 1986
  • Eenheid en vereniging - 29 december 1985
  • Over goed en kwaad - 5 november 1985
  • Achter de kerstboom - 4 december 1984
  • Pasen - 19 april 1981
  • Geloof - 17 maart 1981
  • Wens en vervulling - 13 maart 1981
  • Christus-bewustzijn - 24 augustus 1980
  • TOP

    CHRISTUS- BEWUSTZIJN - 24 augustus 1980

    Het adjectief 'christos' komt van het Grieks 'chri-o' wat 'zalven' betekent. Christus betekent dus gezalfd, of degene die gezalfd is. (De hiaten, de tekorten, zijn opgevuld, vervuld, "smoothened"…).

    De grote fout die de navolgers van Jezus van Nazareth hebben begaan is van hem een afgod te maken.

    Daardoor schiepen ze voor altijd een barrière tussen hem en zichzelf. Deze barrière beschutte tegelijk hun kleine ego, en leverde hen het excuus om in hun evolutie de weg niet zo ver te gaan als hun meester had gedaan. Zij wilden liever nog wat vasthouden aan het verworvene in het relatieve, zoals de rijke jongeling, en hadden dus geen vol vertrouwen in het absolute, noch in zichzelf, en dus eigenlijk ook niet in hun meester. Paulus noemt hen klein- gelovigen.

    Nochtans had de grote meester juist de bedoeling hen allen zoveel mogelijk mee te nemen, voor te gaan, op weg naar het absolute, het perfecte, de Vader, in (de toestand van) het rijk der hemelen… Om hen te tonen dat een mens die kan sterven tot de perfectie van de Vader, het Absolute, kan groeien, en dat zoiets geen mysterieus voorrecht is van wat de mens 'goden' noemt, heeft hij niet geaarzeld om de stap doorheen de wereldlijke, menselijke, dood in zijn voorbeeldig levenspatroon in te bouwen, en nog wel zo nadrukkelijk, dat ze het zich na 2000 jaar nog bloedig herinneren.

    Maar blijkbaar heeft hij daar zijn doel even voorbijgeschoten, want zijn nadrukkelijke dood was zo spectaculair dat de meesten van zijn kleingelovige volgelingen er zelf totaal kapot van waren en over niets anders meer konden spreken, zodat zijn leer zelf erdoor overschaduwd werd en meer als een leer van de bloedige dood dan van het stralend leven lijkt te zijn overgeleverd.

    De behoudsgezinde ego's - die nu ook nog hun grote beschermer moesten ontberen - zochten ijverig naar substituties en excuses, en steun daarvoor vinden ze uiteraard alleen bij elkaar, niet zozeer in zichzelf dus. Deze bange schaapskudde móest zich wel organiseren om wat zij als een persoonlijke blaam ervoeren te boven te komen, zowel in eigen ogen als ten overstaan van de honende buitenwereld. En welk excuus kon beter dienst doen voor dit tweeledige doel dan het uitroepen van hun meester tot super- mens, ja liefst meteen tot (af-) god.

    Belangrijk is dat hij zichzelf nooit die titel heeft aangemeten. Hij noemde zich liever mensen- zoon, ofwel - zoals alle mensen kinderen van God zijn en uniek - noemde hij zich ook de 'eniggeboren' zoon van God, daarbij zeker niet azend op een monopolie.

    Zijn boodschap, blijde boodschap genoemd, of eu-angelion, dat ieder mens, zoals hij aantoonde, de mogelijkheid in zich draagt om zichzelf zodanig te ontwikkelen dat hij de perfectie bereikt van dat waaruit hij voortkomt, de Vader, die zelf volmaakt is en onbegrensd, werd totaal overschreeuwd door de klaagzangen van zijn gekwetste ego- volgelingen.

    Wat moeten we doen om 'christos', gezalfde, te worden zoals hij? "Zoek eerst het koninkrijk Gods," raadt hij zijn zoekende volgelingen aan. Ook zegt hij dat ze dat niet te ver moeten gaan zoeken, aangezien het "niet hier, niet daar, maar midden in u is (entos )".
    Hoe moeten we het vinden? Door te 'bidden', maar bidden hoeven we niet met zoveel woorden te doen: "gaat in de stilte van uw kamer…".

    Als we deze raad opvolgen beseffen we beter en beter waar hij het eigenlijk over heeft, en dat dit inderdaad niet met veel woorden kan bereikt of aangegeven worden.

    Het resultaat van dit groeiend besef is een transcendentale bewustzijnstoestand, die we ook het christus- bewustzijn mogen noemen (het zalvende, wondenhelende zaligheidbewustzijn, waarop alle 'heiligen' in zg. 'trance' gaan).
    Dit transcendentale bewustzijn overleeft de uiterlijke rijkdommen, zoals hij met zijn verheerlijkt lichaam bij zijn verrijzenis bewees.
    Zijn zeer naaste discipelen moeten dit begrepen hebben, toen hij uitriep: "Het is volbracht".

    Copyright © Ben Pirard - 1980

    TOP

    WENS EN VERVULLING - 13 maart 1981

    Er is een fundamentele natuurwet, de Wet, die maakt dat iedere wens of behoefte ten gepaste tijde vervuld wordt.

    Op de naaf van deze Wet draait het Wiel van de schepping.

    Nu kan men dit geloven of niet, maar het blijkt dat het ook voor wie het niet gelooft uitkomt: wie niet gelooft dat zijn wensen in vervulling gaan, ziet ze inderdaad niet in vervulling gaan zolang hij dit gelooft. Wat hij rondom en in zich ziet gebeuren is de vervulling van andermans wens en van de wensen die hij lang geleden koesterde, maar het vergeten is, of die hij nu in het geheim toch koestert zonder het te willen weten.

    De vervulling geschiedt ten gepaste tijde.
    Dit betekent dat er bij het vervullingproces (scheppingsproces) een aantal bijkomstige wetten en wetjes kunnen meespelen, die ervoor instaan dat er een zekere tijdspanne optreedt tussen het ontstaan van de wens en zijn vervulling.
    Deze tijdspanne is dan meestal niet 'leeg', maar wordt gevuld met de gedeeltelijke of geleidelijke realisatie van de eigen of andermans wensen, of een mengsel van beide. Deze gedeeltelijke vervulling, die het tijdsverloop opvult indien er geen gehele vervulling komt, wijst erop dat niet alle beschikbare Kracht werd ingezet: er is een zekere zwakte aan-wezig.
    Een zwakte die alleen voorkomt in, en voortkomt uit, een bepaalde verdeeldheid van het wezen. Dus: hoe sterker het wezen, hoe minder verdeeld in zichzelf, dus, hoe een-voudiger van aard (fundament) hoe minder tussenstappen nodig zijn (die het wezen zelf eerst moeten vereenvoudigen zodat het eenduidig sterk wordt), en hoe ogenblikkelijker de wens dus ook tot vervulling zal gaan.

    Het Geloof in zichZelf en in zijn mogelijkheid te Scheppen is Natuurlijk rechtevenredig tot de eigen sterkte, de graad van Heelheid.

    Zo is dus ons leven 'hier' tegelijk een test om te zien en te weten hoever we naar heelheid gegroeid zijn en een oefening om tot heelheid te komen.
    Hetgeen ons daarin dan allemaal te beurt valt, of niet te beurt valt, is niets anders dan het resultaat van onze mogelijkheid tot scheppen, van ons Geloof of ongeloof of beide, van ons ontwikkelingspeil op de verdeeldheidsladder naar de Heelheid, kortom ons Karma.

    De logische conclusie hieruit is dat wij door meer heelheid van wezen te verwerven in staat zijn sneller onze wensen te vervullen, omdat we sterker zijn, meer scheppingskracht inzetten bij het wensen.

    Wanneer we nu door het TM-sidhi programma ons meer en meer op die lijnrechte ontwikkeling gaan toeleggen, wordt daardoor de realisatie van oude zwakke wensen, die niet zo in die lijn liggen, onderschept vóór ze vervuld zijn. Ze worden ingehaald door nieuwe sterkere wensen. Zo wordt nadelig karma opgelost.

    Dit is uiteraard een zeer relatieve kwestie, een kwestie gewoon van krachtverhoudingen en van de tijdelijke schommelingen die daarin kunnen voorkomen. Het hoofddoel blijft echter de persoonlijke integratie, de zelfrealisatie. Dat is het instrument. Al het andere hangt immers daar van af.

    Het feit van relatief meer in het 'nu' te gaan leven kan schematisch zo worden weergegeven:

    realisatielijnen
    Het centrum is de puntplaats van de diepste wezenskern. Daarrond liggen de relatieve bestaansgebieden met elk hun eigen diepgang, tot aan het meest gemanifesteerde realisatieniveau van een individu. De blauwe lijnen vanuit het middelpunt A geven de zwakkere realisaties weer, die er dus ook lang over doen om hun doel te bereiken. Ze moesten wachten op interne realisaties binnen de persoonsstructuur. Ze hebben daarvoor heel wat tijdscyclussen moeten laten doorgaan.
    De rode lijn geeft een krachtigere realisatie weer. Ze kruist zowat alle blauwe lijnen.

    Inderdaad leeft het krachtigste wezen ("opperwezen" of summum van zijn) onmiddellijk in het Nu. (Hoe minder krachtig een wezen, des te langer het zijn vervulling(en) uitstelt).
    Wie volledig in het Nu leeft zet nu al zijn Kracht in voor onmiddellijke realisatie van zijn Wens. Wie volledig in het Nu leeft, leeft Overal, wenst overal, is overal bij zijn wens, en Alles werkt met Hem mee, alles wat een deel van Hem is. M.a.w. hij is de Schepper.

    Naarmate de mens zich met de Schepper verenigt (of de Schepper zich met de Mens) realiseert hij Zich, zijn ware aard.

    Copyright © Ben Pirard - 1981

    TOP

    GELOOF - 17 maart 1981

    Geloof is een toestand waarbij men bewust aanwezig is in zijn diepste zijnsgrond.
    Men is bewust in zichzelf aanwezig en ervaart zichzelf als zuiver zijn.
    In deze grondtoestand is men ook één, bewust één, met heel het al, dat uiteraard uit ditzelfde zijn voortkomt. Dat is zuiver geloof.

    Het kan ook minder of meer sterk zijn, naarmate het wezen er meer in geïntegreerd, gevestigd, is.
    Het Geloof in zichZelf als zuiver, oneindig Zijn, dat overal en altijd aanwezig is, is de meest stabiele onderlaag van de bewuste Schepping: deze laag draagt alles.
    Als dit enkelvoudig zuiver geloof in zichzelf, als stille beschouwende toestand zonder meer, zich beweegt in een wilskrachtige samentrekking, dan verzet het bergen. Hoge krachtige golven breidt het dan voort naar alle kanten.
    De wens, het patroon dat het wezen eerst in zijn geloof vasthield, bepaalt de loop van de uitdijende wilsgolven. En dit verloop is bepalend voor wat het wezen nu voortbrengt, voor zijn schepping.

    In onze tijd van ongeloof en bijgeloof is het allereerst nodig terug tot dit zuivere, ware, goede Geloof te komen, van waaruit het Volmaakte Wezen Zelf zich manifesteert, groeit.
    Pas dan kan men waarlijk in liefde, schoonheid scheppen.

    Eer het zo ver is moet heel wat van de ons beschikbare Kracht, geloofskracht, besteed worden aan het herstel van de huidige manifestatie van het Wezen. ("Uw Rijk kome, …"). Dit neemt gewoon voorrang op al het andere.

    Als we dus verwonderd zijn dat veel niet naar onze 'wens' schijnt te verlopen, is dat omdat er intussen iets veel beters, hoogstaanders, waarachtiger, schoner en liefdevoller gebeurt. ("niet mijn wil, maar Uw Wil geschiede" …).
    Toch krijgen we tussendoor als grote Genade, de voorproefjes van wat de in ons wezen inherente Almacht kan bewerken.

    Dit fundamentele Geloof dat de Mens eigen is transcendeert alle uiterlijke manifestaties van ras, gezindheid, godsdienst enz.
    Het fundamenteel Geloof van De Mens in ZichZelf, dat hem toelaat om alle schijnbare spoed en tegenspoed los te laten, en opnieuw te beginnen, altijd en overal.

    Copyright © Ben Pirard - 1981

    TOP

    PASEN - 19 april 1981

    Het eerste nieuws deze morgen luidde: "Vandaag is het Pasen, en het is rustig"…

    Dat komt omdat bijna niemand thuis is.

    Pasen is het feest van de overgang, pas, passage …?
    De Israëlieten vierden het al, terwijl zij tegelijk de doortocht door de Rode Zee herdachten. Het was de overgang van Egypte (de ontreddering, de verwildering, de chaos, het duister) naar de vrijheid in het "Beloofde Land" (het land van "melk en honing", waar de Wet werd beleefd, het licht).

    Voor de Christenen werd deze overgang hoofdzakelijk gezien in de verheerlijking van het lichaam van Jezus van Nazareth, zoals bewezen door de Verrijzenis.
    Hij verliet de dood voor het Leven.

    Ook onze oorspronkelijke heidense feesten hier (later geadopteerd door het oprukkend 'christendom') illustreren hetzelfde thema. Het is het feest met de paaseieren, de paas-kuikens, de paashaas, de "pisseman" (paas-man, paas-mens), de haas … Het zijn allemaal symbolen van hetzelfde: het nieuwe Leven dat het oude verdringt.

    Het ei is wel het symbool bij uitstek hiervoor. Zolang het eiwit nog een vrij ongestructureerde waterachtige substantie vormt, is de schaal rond het ei onmisbaar: al het eiwit zou dooreen vloeien. Zodra echter het kuikentje waar het om te doen was, (het was helemaal niet om het ei te doen), voldoende ontwikkeld is, dan breekt het de schaal open en kijkt de wijde wereld in.
    De schaal was een gevangenis geworden, een te nauw kleed en nu is de druk daarin zo hoog geworden, dat zij moet begeven. Het oude kleed, de oude mens, wordt afgeworpen. De Nieuwe Mens treedt tevoorschijn (de paas-mens is opgewekt).

    Wie had ooit durven denken dat dit letterlijk zo gebeurt. Dat echt in dit lichaam (oude mens) zich het kloppend, tintelend, suisend leven aanmeldt van een geheel nieuw lichaam, met een gelijkaardige innerlijke gestructureerdheid. Maar een gestructureerdheid die veel fijner, vollediger, verregaander en sterker is dan die van het oude lichaam, dat slechts de module was, de schaal, (maar dan één met ook inwendige compartimenten).

    De ervaringen van Mère, die zijzelf en Satprem beshrijven in "L'Espèce Nouvelle" tonen aan dat, als er een overgang te vieren is, het wel deze moet zijn, die voor ons allen geldt, niet alleen voor de lichtende voorbeelden die ons voorgingen en nog gaan.

    Het wordt steeds duidelijker dat wij teveel belang aan de eierschaal hebben gehecht, dat zodra ze barstte wij aan ziekte dachten en ze wilden teruglijmen, en dat zodra ze openbrak wij aan dood dachten, en alles onder de grond stopten of verbrandden, zonder nog veel aan een vervolg daarop te denken.
    Wij hebben nu allerhande specialiteiten ontworpen i.v.m. de eierschaal, al onze aandacht en onze energie gaan erin op.

    Maar de schaal was slechts een voorbijgaand hulpmiddel, een verloren verpakking.
    We zijn als een klein kind dat de doos waarin het speelgoedje zit zo interessant vindt dat het dat speelgoed zelf uit het oog verliest.
    We zijn allen specialisten in dozen. Dozen en etiketten. Wij zijn voortdurend bezig met het sleuren aan verloren verpakkingen en voorlopige stellingen.

    We staan op het droge strand naar het schuim op de zee te staren, en zoeken daar steeds nieuwe wetmatigheden in. Maar zonder dat we er erg in hebben zijn onze voeten in het nat geworden zand gezakt. We tellen schuimkopjes en schuimkringetjes en vergelijken ze. Maar we hebben niet in de gaten dat het hoog tij wordt! De vloed van leven zal ons, onvoorbereid en onverwacht, overspoelen, zonder verder commentaar. En er zal nog steeds schuim zijn, boven onze hoofden, maar we zullen het niet meer weten.
    En het was ook helemaal niet om het schuim te doen. Het was hem om de vloed te doen. De vloed van levend water.

    Enkelen eerst - en het worden er nu steeds meer - hebben de vloed in het oog, en bereiden zich voor om te zwemmen, te duiken.
    Deze voorbereiding gebeurt volledig binnen het lichaam. Zij gebeurt in alle stilte en zonder filosofische tractaten of wetenschappelijke vaststellingen. De voorbereiding bestaat er juist in de oude gewoonte om enkel verstandelijk (verstandig?) te leven af te leggen. Deze gewoonte is een conditionering, een speciale hypnose van de meerderheid der lichaamscellen. Die moet opgeheven worden om te zien: om werkelijk te zien. Om volledig te zien wat er is, en wat er werkelijk gaande is.

    Als de hypnose van het verstand opgeheven is, met al zijn oude pro's en contra's, zijn geboden en verboden, zijn angsten en zijn begeerten, dan breekt de schaal … Dan komt de ware broeder tevoorschijn.
    Dan is de hegemonie van de neuronen, van de hersenneuronen, van een oligarchie van dergelijke hersenneuronen, verbroken, en wordt vervangen door de autarkie van de cellenstaat.

    Het kan misschien een tijdje duren eer de cellenstaat van zijn oude bezwijming bekomen is, eer alle cellen allemaal wakker zijn geworden en tot het besef gekomen dat zij weer zelf aan het werk mogen.

    Bij deze opwekking tot het Leven is het Geloof volkomen. In dit Geloof kan de laatste rest van de oude dominerende structuur volledig afgeworpen worden, en dat kan vrij plots zijn.
    Maar het kan ook geleidelijk gebeuren. Dan is er bijna een dramatische gebeurtenis nodig als mijlpaal die aantoont dat het een nieuw lichaam is dat reageert, omdat er geen reactie volgens de oude normen is.

    En ook kan de overgang 'flikkerend' gebeuren. Het oude lichaam wordt gedurende een periode voor min of meer korte tijden afgeworpen en terug aangenomen. Er is een tijdelijke afwisseling Geloof - geloof - Geloof - geloof…
    De cellen hervallen regelmatig nog even in hun oude gewoonte ("habitudes fossilisées"), misschien vooral door de hypnotiserende invloed van de cellenkolonies in de omgeving, van mensen die nog niet Geloven.
    (Op die manier wordt hún last beetje bij beetje overgenomen en weggewerkt, wat aantoont dat één enkele cellenkolonie de weg kan vrijmaken naar Verlichting voor een heleboel anderen, dat we inderdaad ook elkanders lasten kunnen dragen, en dat de Zoon van de Vader "zonden kan vergeven", door het pad van de Evolutie te trekken…).

    Het valt mij op dat Mère gevraagd had: "laat dit lichaam met rust" en dat precies dit niet werd gedaan. Op een bepaald moment werd zij 'dood' verklaard en 'dienovereenkomstig' behandeld.

    Als men weet dat Jezus ook een drietal dagen in een stille afgesloten ruimte nodig had om zijn lichaam terug in operabele orde te krijgen, hij die al verheerlijkt wás (zoals hij op de berg Tabor toonde) dan lijkt het toch belangrijk te worden het lichaam van een 'overledene' een aantal dagen rustig de kans te geven zich van binnenuit te herstellen, zelfs als aan de oppervlakte al wat ontbinding zou zijn ingetreden (cfr. Lazarus), die er trouwens toch wel altijd in enige mate is, ook bij de 'levenden'.

    Zoals Mère zegt: "Het is een wedren tussen opbouw en afbraak". Het dynamisch evenwicht dus, dat bij het overlijden een tijd naar beneden gaat.
    Hoeveel wezens zijn er niet genoodzaakt tot reïncarnatie (van vooraf aan herbeginnen), omdat hun lichaam, op het moment dat zij het met rust lieten, door anderen werd overgenomen ter 'behandeling' of werd begraven?…

    Zolang er leven is, is er hoop.

    Copyright © Ben Pirard - 1981

    TOP

    ACHTER DE KERSTBOOM - 4 december 1984

    Merkwaardig, die groene sparren die we omstreeks de winterzonnewende in onze huizen gaan slepen en optooien, in de tijd dat de meeste bomen en planten uit onze aandacht zijn. Hun levenssap heeft zich diep in wortels en knollen teruggetrokken. En afwezig keren hun skeletten ons de naakte zwarte ruggen toe in een landschap dat er al even donker en verlaten uitziet.

    Of komt het juist daardoor dat we er plots weer aan herinnerd worden?
    Nu ons rondkijkend oog niet meer door het groene en bonte franje van blaren, bloemen en vruchten wordt beschenen krijgt ons innerlijk oog de kans te zien wat hun essentie is. We zien iets meer van de ware aard van al dat bonte leven, dat ons zolang met zijn pracht heeft overstelpt. Wat we nu te zien krijgen is misschien zelfs nog mooier: het wezen van dat alles, dat alles doordringt en alles in aanleg in zich heeft. Wat we nu zien is met één blik: alles.

    En dan bloeit er levend ontzag in mijn boezem op. Dan deins ook ik terug, en blijft mijn wezen in stilte gloeien, tesamen met het wezen van al dat 'andere', dat nu hetzelfde is. Samen wachten wij in deze stille nacht - die heilig is - in stille sterke levensgloed. Dit ingehouden trillend levenslicht dat diep in ons is nu, is klaar om uit te breiden, nieuwe ruimte en nieuwe tijd te scheppen, voor nieuwe vormen. Dit alles is reeds in kiemvorm in alles aanwezig. En volgens geschikte oeroude wetmatigheden zal het zich uitwerken, volgens natuurwetten die zich schikken naar die ene enkele oerwet waarin ze samen komen.

    Als Sintsilverstervuur zal deze levensgloed zich weer in meerdere trappen, rang na rang, uitwerken en vertakken tot aan het uiteindelijk franje toe, dat voor het netvlies van ons rondkijkend oog opvangbaar wordt.

    Deze oerwet blijft altijd gelden, dat alle natuurwetten zich schikken volgens één Patroon. Dit ene Patroon ligt in de aard van het Leven zelf, is zijn Natuur. Het is als een boom en duikt als structuur overal en altijd weer op. Daarom noemen we het de Levensboom.
    Volgens de Noorse traditie is Yggdrasil de eeuwig groene Wereldes, de as, de essentie, van het draaiend scheppingswiel, de wereldschijf, of wereldberg.

    Deze Levensboom put met één van zijn drie ontzaglijke wortels uit de drievoudige fontein, de levensbron, Urd, aan de andere zitten de drie Nornen, de schikgodinnen die de levensdraad spinnen, en de derde wordt gevoed uit de bron van wijsheid, waarover de reus Mimir waakt.

    Deze eeuwig groene boom halen we bij ons binnen in deze uiterst doodse tijd van de jaarcyclus. En aan zijn basis laten we het kerstlicht opgloeien. De Skandinavische volkeren maakten driehoeken van hout, die ze met groene takken omwikkelden. Daar werd dan het lichtje in aangebracht in de tijd van het 'Joelfeest' van 25 december tot 6 januari.

    En wij zetten nu een stalletje met een lichtje in, waar het kerstkindje in geboren wordt. En vier weken voorheen halen we een groene kerstkrans in huis of hangen die aan de voordeur als nieuwjaarswens aan de voorbijgangers: het draaiend scheppingswiel met zijn opeenvolgende fasen, die rang na rang, steeds meer licht brengen.

    Uit de stille rust van de levensessentie volgt het in zichzelf opgewekt raken tot bloeiend leven om tot rijpheid en dus tot groter voldoening te komen over die essentie zelf: zaad, twijg, bloem, vrucht, en weer zaad…
    Deze eeuwige rondgang geven we aan door de glazen bolletjes die de kerstboom zullen tooien. En we prikken er ook nog twee vogeltjes bij.

    Eén komt bovenaan in het centrum bij de as van de boom. Hij symboliseert het stille grensoverschrijdend weten, het inwendig oog, dat centraal het geheel stiekem blijft gadeslaan. Het andere komt ergens aan het uiteinde van een zijtak, waar het volledig opgaat in het zich tegoed doen aan de vruchten van de levensboom. Dat is onze eerder rusteloze natuur die vaak ertoe neigt ons in onophoudelijk bezigzijn te doen verliezen.

    Deze twee vogels zijn samen het kenmerk van de opperste wijsheid en levenskunst, die op 6 december nog zo uitgesproken in de lucht hing in de gedaante van Wodan of Odin: op zijn schouders heeft hij steeds zijn twee raven Huggin en Munin.

    En helemaal bovenaan komt het grote licht van de ster, waar de hele boom als een pijl naartoe wijst, alsof hij ons in stilte toevertrouwt: "hierheen gaat alle evolutie".

    Copyright © Ben Pirard - 1984

    TOP

    HET PAASFEEST - april 1986

    Ons Paasfeest wortelt in de oeroude viering van de veerkrachtigheid in de Natuur. We noemen die ook vruchtbaarheid. Het is het feest van het altijd nieuwe begin, de wederopstanding, het altijd jonge licht waarin de schepping opnieuw vorm aanneemt. Het feest van de jeugd, het prille leven dat we rondom ons zien ontwikkelen, en in onszelf kunnen gewaarworden, ongeacht het jaartal dat op onze stramme winterbotten kleeft.

    Intussen gaan de lentebotten open. De oude boom is weer ontwaakt. En stralend toont hij ons zijn nieuwe tooi. De oude levensboom, symbool der schepping, bloeit weer open: de palmpasenstok die kinderen, volgens traditioneel patroon, met eigen creativiteit versieren en in een vrolijke stoet voorbeeldig met zich dragen.

    In sommige streken wordt ook een massaal Paasvuur ontstoken rond een reuzedennenstam met groene top, ten teken van het zich vernieuwend leven. Men zou kunnen zeggen dat de levenscyclus nu begint, ware het niet dat hij perfect rond is, en men daar dus geen speld kan tussenkrijgen. Het is hier zoals met de kip en het ei.

    Geen wonder dan ook dat het in deze tijd van nieuw leven eieren regent. En - aangezien van het ene het andere komt - zitten we weldra ook met een kroezelige donzige massa piepende paaskiekskes. Een nieuwe lente en een nieuw geluid. Een nieuwe trillende levensgolf zindert zachtjes door uw stijve winterleden.

    Zijn we soepel genoeg om de nieuwe kriebelende lentegolf op te vangen? Zijn onze poriën open om met volle teugen de jongste levenslucht te ademen, waarmee we ons gestel vernieuwen?

    Natuurlijk is het nu de tijd van reiniging bij uitstek. Want enkel onverstopte sterke levensaderen kunnen dit krachtige nieuwe lentesap verdoen. Daarom grijpen we nu gaarne naar zuiverende middeltjes, en geven tegelijk het hele huis een grote schoonmaakbeurt, om dat oude opgehoopte stof uit hoek en kant uit huis en lijf te doen verdwijnen.

    Zo zien we hoe 't oude steeds weer plaats maakt voor het eeuwig jonge, als we er ons gewild of onbewust niet tegen sluiten, ons niet laten dichtslibben.
    Dit is de kans op weergeboorte hier en nu: ons waakzaam onvermoeid, naar geest en lichaam, blijven richten naar 't jeugdig steeds terug opkomend lied waaruit we geboren zijn en opgebouwd, in onze fijnste vezels.

    Niet zo lang geleden werden in deze tijd de nieuwe bezems gemaakt. Dat gebeurde met jonge wilgentwijgen. Want op de hoeken van het weiland waar weldra het vee het malse gras ging grazen, daar werd nu ook een vruchtbare Paastwijg in de grond gestoken (naast die van 't vorig jaar). Zo werd de wei tenslotte omzoomd door rijen kort geknotte wilgen, die tegelijk 't teveel aan winterwater uit de natte wei wegzogen, als omheining er voor dienden, en ook weer vers materiaal voor manden leverden en voor nieuwe bezems. Van ecologisch evenwicht gesproken!

    Vanzelfsprekend werd door de Christelijke traditie deze tijd gekozen om de 'verrijzenis van het vlees' te gedenken. Dat is zo sinds 't concilie van Nicea, in 325.
    Maar ook onze hedendaagse wetenschap erkent het principe van wederopstanding tot op zekere hoogte: nieuwe cellen in bloed, gebeente, spier- en huidweefsel bouwen voortdurend het lichaam weder op, en houden het zo als geheel in stand. Een eigen vorm van recyclage.

    Hoe lang en hoe goed cellen daarmee doorgaan hangt af van onze soepelheid in hart en leden, en dus van de mate waarin we ons natuurlijk vermogen bewaren - of herwinnen - en de spontane afstemming op 't kosmisch leven in ons niet verstoren.

    Als dit te moeilijk is, dan kunnen we gemakkelijk een techniek aanleren om de cirkel weer (van nature) rond te maken. Want het is alleszins de natuurlijke gang van zaken dat het nieuwe binnen het oude verrijst, in een voortdurende kringloop waarin het scheppingspatroon zich kan blijven handhaven. De nieuwe mens verschijnt steeds in de oude.

    In sommige streken worden nu als symbool hiervan de 'pissemannen' of 'paasmannen' gebakken. Een menselijke gedaante uit fijn koekendeeg, met een ei in het midden. De kinderen zijn er dol op, vooral als ze elk hun eigen 'pisseman' mogen maken, en hem dan nadien opsmullen natuurlijk…
    Soms geeft men er ook lange oren aan, om extra nadruk te leggen op 't vruchtbaarheidssymbool: het eeuwige thema der natuurlijke vernieuwingskracht. Het gebruik van de haas, als paassymbool, moet wel de meest geruststellende verzekering zijn der natuurlijke regeneratiekracht in onze schepping.

    Het haantje bovenop de Palmpasenstok wekt ons steeds weer uit de sluimer van onbewustheid, of - in het betere geval - van onze dromerijen. Het roept ons tot de orde, de klaarte der kosmische wet waaraan we in principe beantwoorden, en die steeds weer anders blijkt dan onze stoutste of zoetste dromen ons hadden voorgehouden.
    Het wekt onze aandacht, en roept hier ons bewustzijn wakker voor de oeroude veerkracht die in onze aard ligt: de macht tot wederopstanding, ons in principe en van nature gegeven. Dat is de kern ook van de oude blijde boodschap die de christenen rond Pasen vieren, of we ze nu in het hiernamaals situeren, of in het hiernumaals.

    Prettig en bemoedigend is het natuurlijk, dit allemaal te weten. Maar zoals meestal met al dat weten, helpt het er alleen maar over denken, lezen en praten ons niet substantieel verder. Het doel van culturele symbolen en riten wijst verder, en stijgt zeker ver boven alle vormen van louter denkwerk uit. Traditie heeft pas echte waarde als doorleefde praktijk. - Tot dit facet der traditie roept 'Canteclaer' ons steeds weer wakker.

    Maar och ja, het onfilosofisch kneden van koekendeeg, het verstrooid eieren verstoppen tussen de bosjes, het kwistig nieuwe versierinkjes uitvinden voor Palmpasenstokken, folklore, ook dat is traditie, ook dat is leven.

    Copyright © Ben Pirard - 1986

    TOP

    SYMBOLIEK IN DE MYTHOLOGIE - 29 juli 1986

    De mythologie is de wetenschap van weleer. Het is de zo volledig mogelijke beschrijving van de elementen, hun verhoudingen en hun interactie, en dit in al zijn mogelijke fasen, schakeringen en omstandigheden. Die elementen kunnen zowel vormen als krachten zijn als velden.

    Copyright © Ben Pirard

    1. OPBOUW

    Het absolute veld dat alle andere overtreft en omvat is de meest onzegbare zuivere oneindigheid, waarin al die elementen, krachten en toestanden zich kunnen voordoen.

    Dit absolute principe wordt vaak gelijkgesteld met de 'oppergod', het 'opperwezen', de 'alvader', vooral wanneer het persoonlijk wordt voorgesteld. Maar als zodanig heeft het niet veel bijzonders te bieden. Het blijft ook steeds buiten het gebeuren en het bestaan, als absolute transcendentie. Daarom wordt in de mythologische omschrijving meestal maar weinig aandacht hieraan besteed. Het valt als het ware buiten het bestek van de mythologie, die zich eerder toespitst op onderscheiding en relativiteit.

    Mythologie wil een verklaring van de schepping zijn vanaf haar diepste gronden. De absolute ruimte waarin dit proces zich voordoet is dan zo vanzelfsprekend onderverstaan, dat er hoogstens in het begin even naar wordt gealludeerd (bijv. als Okeanos).

    Maar misschien is het ook de schuld van ons op actie belust verstand, dat de beschrijving van het absolute in de vergeethoek van de eeuwenoude overlevering is geraakt en dat vooral die fragmenten van een oorspronkelijk volledige omschrijving ons bijgebleven zijn, die met actie, verovering, beheersing te maken hebben.
    En in bepaalde enge gevallen zijn het zelfs alleen maar de meer concrete toepassingen op een op overleven toegespitst oppervlakkig bestaan, die nog zijn doorgegeven.
    Dit laatste zijn dan in het beste geval een aantal heldenverhalen, sagen, en in het ergste een reeks spreuken of opsommingen van gedragscodes.

    Als men iets aan mythologie wil beleven, moet men dus al eerst een inzicht krijgen in de opbouw van het geheel. Oorspronkelijk vertrekt dit geheel vanaf een fijne allusie op de absolute bestaansgrond, en gaat zo over alle velden van elkaar beïnvloedende basiselementen, tot aan de meest vertrouwde toestanden van alledaags gedrag.

    Dit alles tezamen vormt een volledig cultureel erfgoed. Het kan via allerlei media worden vastgelegd en doorgegeven: meestal mondeling en schriftelijk, maar ook via grafische voorstellingen en symbolen, die geschilderd of gebeeldhouwd staan op alle mogelijke materialen en voorwerpen. Als ze verslijten of breken kunnen ze worden hermaakt of gekopieerd, zolang de kennis en vaardigheid daartoe voorhanden blijft. Daarna blijven alleen nog de meest duurzame artefacten over, meestal wat in harde steen was uitgehouwen, en lijkt het of er in de betrokken beschaving niets anders geweest is.

    Men zou kunnen zeggen dat het erfgoed voordien louter 'mentaal' werd doorgegeven, in die zin dat het algemeen beschavingspeil hoog genoeg was opdat ieder individu deze fundamentele kennis rechtstreeks uit zijn chromosomen kon halen. Bij een iets lager peil diende de leerling daarbij een beetje geholpen te worden. En bij een nog meer verstoord of te herdoen samenlevingspeil moest het voor de veiligheid worden genoteerd.

    Van allergrootst belang is dan een soort reiskaart, die een overzicht geeft over het cultureel erfgoed waar de student voor staat. Maar ook die sleutel is nogal eens, met opzet of per ongeluk, verborgen geraakt, of gewoon niet meer doorgegeven en nooit genoteerd.
    Het vraagt dan de opkomst van een nieuwe grote geest, die zelf in staat is zo'n kaart weer samen te stellen in zijn ruim bewustzijn en daar de anderen van te laten profiteren. Een Maharishi is zo iemand voor wat de Veda betreft. Hij doorziet de indeling van al die kennis én waar iets ontbreekt, ofschoon dit erfgoed in tegenstelling tot de meeste andere nog vrij integer tot ons komt.
    Hij ziet de Upanishads als de beschrijving van het absolute, de Brahamanas van het relatieve, en de Aranyakas van de relatie tussen beide. De Puranas zijn de beschrijving van al deze principes, geïllustreerd in het leven van grote zielen en de Smritis zijn voor de kleinere een test om zichzelf te evalueren in het hele ontwikkelingsscala.

    Deze boeken of series zijn alvast een algemene aanwijzing voor de geestelijke ontdekkingsreiziger.
    Een andere hulp is het besef dat alle wijsheid erin vanzelfsprekend en voor de hand liggend is, maar dat zij ter wille van het kleinere intellect in herkenbare vormen gegoten is, zodat men er alvast gedeeltelijk bij kan van op het peil waar men zich bevindt.

    Het leerproces dat volgt is niet dat van een volstouwen van het brein met vooraf gedefinieerde feiten en stellingen, maar een opwekken van laag na laag in het begripsvermogen, zodat het de werkelijkheid waar naar verwezen wordt stilaan in zichzelf schouwt, en daardoor, door deze zelfopwekking, in staat wordt gesteld een zelfstandige ziener van de werkelijkheid te worden.

    Copyright © Ben Pirard - 1986

    2. KENNIS - LEERMEESTER - BESCHAVING - 30 juli 1986

    Kennis is organiserend vermogen.
    Het moet daarom duidelijk zijn dat 'kennis van het geheel der schepping' ook 'organiserend vermogen van het geheel' betekent.

    Een beschaving bereikt altijd een realisatiepeil dat met haar wetenschap overeenkomt. Wanneer de originele wetenschap teloorgaat of onvolledig wordt, dan gaat de samenleving daarvan de nadelige weerslag ondergaan. We beleven dit in deze tijd zeer accuut, nu de massa op de dool is. De overblijvende fragmenten van fundamentele kennis worden vermengd en daaruit worden wangedrochten georganiseerd, die duidelijke gebreken hebben en een verder gevaar voor de samenleving betekenen.

    De dolende hedendaagse mens, die niet meer weet waar het allemaal om begonnen is, waar het om draait, waartoe dit alles dient en leidt, glijdt steeds verder af in de meest extreme oppervlakkigheid.
    Hij beschouwt zijn leven tenslotte alleen nog in dienst van een zo vlug mogelijk voldoen van zintuiglijke impulsen.

    Een samenleving die hoofdzakelijk uit dit peil van enkelingen bestaat verbrokkelt gauw en wordt decadent. De afbrekende, ontbindende krachten halen er de overhand op de opbouwende, samenstellende, bindende krachten in de schepping.

    Wanneer die krachtenbalans extreem gaat overhellen, wordt de nood het hoogst, en is de redding nabij.
    De behoefte aan een ruime verlichte geest, die het geheel vanzelf overziet is in onze tijd zeer sterk aanwezig.

    De leermeester van Maharishi heeft zichzelf daartoe voorbereid en Maharishi heeft de rol van hem overgenomen om als wereldleraar op te treden. Zijn inzichten in de structuur van de Veda zullen van vitaal belang blijken te zijn voor de komende beschaving.

    De leermeester was lang de ontbrekende schakel tussen kennis en haar product. In die tijd hebben kleinere geesten zich in de leegte genesteld. Ze hebben kleine stukken kennis opgediept en daar stukken ontwikkeling mee gemaakt en veroorzaakt.
    Wanneer de accenten in het kennisgeheel lang eenzijdig worden gelegd, omdat het ontbreekt aan een levendige ruime bevattelijke geest die het geheel blijft overzien tijdens de ontwikkeling van enkeling en samenleving, en die bijgevolg de accenten naar behoefte weet te verschuiven, dan ontstaat allicht een stijf voortlopende afwijkende ontwikkelingslijn, die de boom der kennis, en daarmee de boom der schepping, alleen maar uit zijn evenwicht kan brengen.

    Copyright © Ben Pirard - 1986

    3. GODEN EN DEMONEN

    Er zijn twee diametraal tegenovergestelde manieren om de werkelijkheid te beschouwen in al haar geledingen en toestanden. De ene is de personalistische, de andere de transcendentale.

    Bij de transcendentale beschouwingswijze overziet men de hele schepping als een opeenvolgende opbouw van lagen, van fasen, als een ingewikkeld weefsel. De huidige quantum fysica heeft deze beschouwingswijze ook. Kenmerkend is dat men abstractie maakt van vormen, en alleen maar het element, het materiaal of de kracht in aanmerking neemt, die alle vormen doorspeelt.

    Bij de personalistische beschouwingswijze daarentegen is het materiaal volkomen bijkomstig. In deze zienswijze primeert de vorm, het lichaam, het individu of object en zijn eigenschappen.

    De ene visie is universalistisch: de bindende gemeenschappelijke kenmerken van de werkelijkheid primeren. De andere is individualistisch: de onderscheiden kenmerken van objecten en subjecten, vooral subjecten, krijgen de meeste aandacht.
    Men zou kunnen stellen dat de objectivistische benaderingswijze van de hedendaagse wetenschap daar een verre uitloper van vormt.

    Maar beide zienswijzen vullen elkaar aan. De ene die het materiaal beschouwt en de andere die het patroon ziet gaan samen als het mannelijke en het vrouwelijke (mater: materie; pater: patroon). Men associeert het voorkomen van een bepaald materiaal, element, kracht, toestand, fase in de schepping op een bepaalde plaats of tijd met een god of een demon: een betere of een minder goede.
    Wat transcendentaal als een bepaalde textuur, een weefsel wordt beschouwd, kan inderdaad op een bepaald moment op een bepaalde plaats in een bepaald lichaam in zijn allerzuiverste vorm voor komen.
    Wanneer dit het geval is in een bepaald persoon, dan zegt men terecht dat hij die of die eigenschap incarneert.

    En tenslotte: hoe zou een bepaalde weefsellaag anders kunnen voor komen dan door uiteindelijk weer op zichzelf aan te sluiten, en is dat dan niet wat men een orgaan of bij uitbreiding, een organisme, noemt?

    Deze organisatievormen van het scheppingskleed vormen een onmisbaar attribuut in de mythologische beschrijvingswijze. We moeten alleen niet de fout maken om het anthropomorfisme altijd letterlijk door te trekken. Maar het is voor ons vaak moeilijk ons andere levende wezens voor te stellen. Dit belet echter niet dat ze op één of andere manier bestaan, ook al transcendeert die bestaanswijze vaak ons eigen oppervlakkig bestaan.

    We mogen de voorstellingen van goden en demonen vaak dus niet al te letterlijk nemen. We moeten dan weten dat die voorstellingswijze een gevatte aanwijzing is voor wat en hoe ze zijn. Als zij armen hebben, dan is dat om een functie aan te duiden, die het best met armen wordt weergegeven: invloed op de omgeving. Hebben ze veel armen, dan betekent dat 'veel invloed', invloed op vele dimensies, machtig.
    Hetzelfde principe is van toepassing bij alle attributen die het lichaam samen uitmaken. En om bepaalde functies toch in lichaamstaal weer te geven doet men vaak beroep op onderdelen van dierenlichamen, en zo ziet men dan halfmens-halfpaarden, zeemeerminnen, veelkoppige draken, kronkelende slangachtigen, schildpadden enzovoort.

    Het intellect dat de verborgen waarde in deze vormen en kleuren wil begrijpen doet er goed aan ze niet letterlijk te nemen, maar als symbolen voor een onderliggende realiteit, die op geen gevattere wijze aanschouwelijk en overzichtelijk kan overgedragen worden. Het is de taal van de ziel, van de droom, van het visioen, die multidimensionaal is, zoals de werkelijkheid zelf, die ze omkleedt.

    Het stapvoets serieel beschouwend intellect is niet in staat deze bevattelijke taal in één keer in al haar dimensies te vatten. Het begrijpt er hoogstens enkele punten van, die als topjes van ijsbergen boven de voor dat intellect ontoegankelijke wereld uitsteken. De diepere relaties en patronen ontgaan het oppervlakkig scannend oog en kunnen alleen aangevoeld worden via de intuïtie, die op haar beurt het intellect transcendeert en voorafgaat. Intuïtie is het instrument dat, op punt gesteld, in staat is de verborgen betekenis van cryptische verzen te vatten.

    Er was een gouden tijd die de mens toeliet zonder omwegen van nature al te weten wat nodig was om volledig mens te zijn, op alle niveaus van de schepping.
    Er was een zilveren tijd waar slechts een lichte mentale impuls van een oudere de jonge mens het bewustzijn opende tot deze allerhoogste staat van ontwikkeling.
    Zo was er ook een koperen tijd waar deze impuls door dreunend opgezegde verzen moest omkleed worden om hetzelfde of bijna hetzelfde effect te bereiken.
    En tenslotte was er de ijzeren tijd, die vergde dat die verzen van waarheid in metaal en steen gegroefd werden, opdat ze nog voldoende lang gereciteerd zouden kunnen worden.

    Nu ook dat niet meer voldoet is de tijd rijp voor een nieuwe vonk van inzicht in de werkelijkheid binnen en rondom ons.

    Copyright © Ben Pirard - 1986

    TOP

    GOD - 21 februari 1988

    Is dat wat ge niet kunt noemen, zonder er buiten te treden.
    Het goddelijke is onze eigen meest eenvoudige toestand van Zijn.
    Dat wat met stilte wordt aangeduid. Dat wat altijd is. In mij.
    Dat wat ik Ben. Wat Gij Zijt. Wat Hij Is. Wat Zij Is. Wat Wij Zijn.
    Dat is mijn Bron en laatste Toeverlaat. Dat is eeuwig. Dat Ben Ik.
    De Grootste Dienaar van allen.
    Die altijd overal klaar staat.

    Copyright © Ben Pirard - 1988

    TOP

    HET CONCEPT 'GOD' - 2 October 2003

    Men kan zeggen dat de mens zich van het dier onderscheidt doordat hij zich dit begrip heeft eigen gemaakt, zoals hij zich alle begrippen heeft eigengemaakt. Maar dit begrip 'God' is openlijk of verborgen een hoogst dominerend begrip voor alle mensen, of ze er nu voor of tegen zijn. Het is dus interessant om intellectueel na te gaan wat we met het begrip 'God' bedoelen, en waar het vandaan kan komen.
    De mohamedanen spreken van Allah ackbar: dat wat altijd groter is, wat dus het grootste is. Dat is het hoogste begrip, het begrip van alle begrippen.
    In de christelijke catechismus werd geleerd: God is overal, op alle plaatsen in hemel en aarde. Dus alle begrippen zijn ervan doordrongen. Maar het is tegelijk ook het opperwezen, de hoogste essentie van de dingen, dus weer het begrip der begrippen.
    Het grootste begrip dat aan de top staat van alle begrippen die de mens kan vatten.

    Wie of wat is dan God?
    Nemen we om het even welk ding, of begrip. Het begrip is in ons hoofd gesitueerd. Het ding waar het naar verwijst situeren we buiten ons. Is dit ding 'God'? Neen. Nemen we dan een ander ding of begrip, en vragen we ons af of dat dan God is. Opnieuw moeten we negatief antwoorden. Zo kunnen we theoretisch alle dingen of begrippen de revue laten passeren, tot het heelal zelf, en steeds zullen we moeten toegeven dat we dat niet bedoelen met God. Want God is altijd nog groter, het staat aan de top van al onze mogelijke menselijke begrippen. Op die manier ontsnapt hij/het ons dus telkens weer. We kunnen het niet vatten, aangezien het als begrip van alle begrippen ons zelf bevat. 'De mens' is namelijk ook zo'n begrip van onszelf, maar kleiner, minder omvattend. Terwijl God het meest omvattend begrip is.

    Bij dit besef ontstaat in ons een zekere 'vreze Gods', een bijna angstig gevoel van ontzag om de voor ons onmetelijke oneindige grootheid van het begrip opperwezen: dat wat per definitie alle begrip en begrippen omvat en ontgaat, dat transcendent is.
    We kunnen het bij dat gevoel van ontzag houden, dat cultiveren in allerlei vormen en kleuren om te trachten het moment vast te houden van de opperste aha-erlebnis van iets dat even al ons begrip teboven ging. Maar dat is niet de intellectuele manier om tot het hoogste begrip te komen. En al is het de intellectueel niet verboden om tot een opperste aha-erlebnis te komen en deze zelfs te cultiveren, toch moet hij als intellectueel in staat zijn daar afstand van te houden en voort te gaan met zijn analyse van het opperste begrip als puur mentaal begrip.
    Zodoende komt hij ertoe om abstractie te maken van het ene begrip na het andere, om te zien, wat overeenkomt met het begrip dat dan over blijft.

    Wat blijft er over als we één na één alle begrippen die we kennen gaan analyseren op zijn goddelijke inhoud en betekenis, en telkens tot de bevinding komen dat die er misschien al dan niet in zekere mate wel is, maar dat het niet het hele begrip van God zelf is, dat we zoeken? Absoluut niets.

    Aha!
    Het zou dan intellectueel oneerlijk zijn het daar bij te laten, en niet even nader te kijken naar wat dat dan wel voor iets is, dat absolute niets. Het zou op zijn minst eerlijk zijn, om dan toe te geven dat we intellectueel gezien bij het einddoel van onze analyse zijn gekomen, en dat we hebben gevonden dat dat, voor ons althans, het absolute niets is. Of zullen we het - het ontzag dat gepaard ging met de vroegere opperste aha-erlebnis indachtig - maar met hoofdletters schrijven: Absolute Niets.
    Het intellect houdt hier op. Het stuit op iets dat groter is dan alle begrip, want het is zo ruim in plaats en tijd, dat het alle begrip en begrippen omvat en overstijgt, transcendeert.

    Vanuit het intellect gezien is God dus Niets. Het niet-iets, wat ook het niets moet zijn, het niet te begrijpen, niet te objectiveren, niets. We kunnen er geen net afgelijnd object van maken, ook niet van het begrip 'niets', want dan is er altijd weer nog dat wat net groter is en dat begrip dan omvat. Dus laten we voor de intellectuele veiligheid het begrip 'niets' dan verwijzen naar dat wat ook geen begrip meer is, zonder het verder te objectiveren. Het zit als het ware aan de andere kant van ons menselijk begrip.

    We moeten dus eerlijkheidshalve durven toegeven dat hiermee de grens van ons intellectueel begrip is bereikt. Wie die grens oversteekt is geen intellectueel meer, totdat hij terugkomt over die grens. Daar buiten, dat is het terrein van het intellect niet meer. Het intellect er mee naartoe trachten te nemen zou het beschadigen, of tot waanzin leiden.
    God kennen is dus niet mogelijk met het intellect. Het zou hubris zijn dit zelfs maar te hopen. God kan niet echt gekend worden door het intellect, wel kan het intellect de mens voeren tot aan de grens van het kenbare, waar aan de andere kant het zuiver goddelijke begint.

    Natuurlijk is dit allemaal denkbeeldig. In werkelijkheid is ook de mens meer dan alleen intellect, heeft ook andere manieren van waarnemen en ervaren en kennen, die net als zijn intellect in mindere of meerdere mate kunnen ontwikkeld zijn. We beschikken over een aantal voertuigen waarmee we ons in de werkelijkheid kunnen begeven, en we hebben alleen maar gewoontes aangekweekt of ons laten aankweken (maar dat is in feite hetzelfde) om ons bij voorkeur door één bepaald voertuig te laten aantrekken en dat dan het meest te gebruiken. Eenmaal zo'n gewoonte aangekweekt wordt het wat moeilijker om op een andere over te stappen. Maar onmogelijk is het natuurlijk niet. Eigenlijk zou het ons heel wat onafhankelijker maken indien we alle ons ter beschikking staande voertuigen in het leven even goed konden besturen. Maar de opvoeding voorziet dat niet en spitst zich vooral op de ontwikkeling van het intellect toe, al van op zeer jonge, en zelfs steeds jongere leeftijd, en neigt zich zelfs daartoe te beperken.

    Gelukkig echter zijn er meestal meerdere beschavingen tegelijk aan de gang in de wereld, of zijn er tenminste voldoende sporen over van andere manieren van doen en denken en zijn, om ons toe te laten ook die bij onszelf wat meer te gaan ontwikkelen indien we dat echt wensen.
    Afgezien van de intellectuele en emotionele botsingen en zelfs fysieke die er dan kunnen ontstaan en waarin we al dan niet tijdelijk kunnen blijven steken, individueel of en masse, is er daarmee ook de kans dat we tot een rijpere ervaring van zoiets als het godsbegrip komen, dat in de meeste culturen als topbegrip wordt geëerd, gewaardeerd en gecultiveerd.

    Sommigen duiken dan plots geheel in zo'n andere cultuur onder, laten letterlijk hun westerse kleding achter en hullen zich in alle tekenen van die andere cultuur. Dit is niet noodzakelijk voor iedereen de goede manier. Wie echt verder wil gaan in het leven, steeds verder ontwikkelen wat evolutionair ontwikkelbaar is, kan beter zijn vroegere bagage niet te ver buiten bereik opbergen. Het kan nuttig zijn om bijvoorbeeld de nieuwe ervaring te toetsen aan de oude kennis, zodat beide tot een zeker evenwicht worden getuned.

    Want over ervaring, waarneming, gaat het in dit geval wel. Het goddelijke, dat niet in zijn volheid kenbaar was via het intellect, kan praktisch veel dichter benaderd worden via rechtstreekse ervaring of waarneming. Wat we dan in werkelijkheid waarnemen is misschien een bepaalde gradatie van wat we intellectueel 'niets' of 'het Niets' noemden, maar het is toch een ervaring die enigszins verwant is met de aha-erlebnis van de wetenschapper of denker of zoeker, en die in feite toch ook door dezelfde mens wordt beleefd.

    Alleen is de aha-erlebnis van de denker misschien een wat zwakkere voorafspiegeling van de zaligheidsbelevenis die de ervaring van het absoluut goddelijke kan zijn. En niet elke zoeker op het pad van de ervaring beleeft dezelfde gradaties van gelukzaligheid, integendeel, er is vaak heel wat ervaring van innerlijke strijd en pijn en leegte. Maar dat heeft dan meer te maken met ervaring van de staat van het voertuig, dan van het landschap zelf dat men ermee bezoekt. Al is de ervaring van leegte misschien een wat meer betrouwbare vorm van ervaring op weg naar het absolute, dat we intellectueel als het Niets moesten bestempelen.

    Alles wijst er op dat het verfijnen van het voertuig waarmee we de werkelijkheid willen verkennen een noodzakelijk proces is, of het nu om het intellect zelf gaat, of om de gevoeligheid (de waarde van het hart genoemd) of om de band tussen beide, die ook noodzakelijk is om volledig in evenwicht te kunnen blijven binnen de belevenis van het landschap van het al. Maar gelukkig is het met al die dingen zo, dat door ze te gebruiken we ze ook ontwikkelen. We kunnen dus leren om het niets te ervaren en te verkennen, te bevatten in hart en geest en wezen. En door eenmaal het allerhoogste begrip te hebben herkend in zichzelf weet men dat het altijd en overal bereikbaar is. De mate, de helderheid, de gradatie van elke ervaring kan verschillen in plaats en tijd. Maar de verwantschap van al die ervaringen, het gemeenschappelijk omegapunt ervan, kan men intellectueel wel raden. Raden is dat kleine sprongetje van het intellect naar het weten, de aha-erlebnis, waarzonder 'kennen' maar een dode copie is.

    Samenvattend kunnen we stellen dat God datgene is wat overblijft als we al het andere wegdenken, ofschoon God ook al dat andere omvat. Er zelfs oneindig buiten en bovenuit stijgt in ruimte en tijd. We kunnen dit ultiem begrip niet objectiveren zonder het geweld aan te doen, het ontstijgt per definitie al het objectiveerbare. Of andersom gesteld, dat wat boven en buiten al het gekende en ongekende objectiveerbare uitstijgt, dat noemen we God. Wie dit ontkent stelt in feite dat de wereld beperkt is en er daarbuiten en daarboven niets is. Maar dit 'niets' is in dat geval God en daarom schrijven we het met een hoofdletter. En ook is dat Niets een mogelijk onderzoeksgebied en kan alszodanig gekend worden. (De eigenschappen van het absolute vacuum worden door de wetenschap trouwens onderzocht en zijn interessant om de schepping en de wereld beter, vollediger, te begrijpen).

    Verder is het zo dat voorbij het intellectuele kennen er ook de mogelijk rechtstreekse ervaring of waarneming van het niet-iets, het Niets, het vacuum, is. In onszelf kunnen we het ervaren als volkomen gedachtenloosheid, dat wat overblijft als alle gedachten even stoppen en we bewust met ons diepste zelf alleen blijven. Wat we dan waarnemen is het louter zijn van onszelf. Onze eigen wezenskern.
    Dat is als het ware de spiegel waarop ons intellect uiteindelijk botst in zijn drang om alles, het al, te kennen. Het kent uiteindelijk 'niets'. Het voertuig heeft de grenzen van zijn landschap bereikt en verlaat het medium waarvoor het geschikt is, om te komen te staan tegenover een nieuw medium, als een landroover boven een zeespiegel. Met zo'n voertuig kan je niet in zee, je kan ze alleen van op respectabele afstand oppervlakkig aanschouwen. Verder gaan is waanzin.

    Voor de bestuurder zelf kan dit een aangrijpende onthutsende ervaring zijn. Het feit alleen al dat hij zich niet langer met zijn voertuig identificeert, maar bovendien nog datgene aanschouwt dat groter is dan al wat hij tot dusver heeft gekend, en dat er weldegelijk zo 'iets' is. En vooral ook dat men het, even als al het andere, in feite in zichzelf waarneemt, zij het ex absurdo.
    Dit is vaak een onthutsende en verwarrende ervaring die eerst vrees en ontzag kan opwekken, maar dan ook eindeloze verwondering, bewondering en... liefde, die men kan cultiveren.

    Deze ervaring klopt met de intellectuele vaststelling dat wij in God zijn en God in ons.
    Zoals de dichter ook beschreef: "Ik ben een God in het diepste van mijn gedachten".
    God is dus absoluut niet ver te zoeken, ook als men het begrip anders wil noemen.
    Maar intellectueel is het een concept voor het onnoembare begrip der begrippen.

    Copyright © Ben Pirard - 2003

    TOP

    Religieus reveil - 16 april 2007

    Waarom is er in deze tijd zulke interesse voor religie? Ongetwijfeld is dit iets wat voor alle tijden opgaat. Maar het valt misschien mensen die iets minder religieus zijn ingesteld wat meer op. En hoe kan iemand er tegelijk religieuze opvattingen en praktijken op nahouden en toch een wetenschapper zijn? Dat kan alleen doordat men zich in feite opsplitst in twee personen: een rationele en een irrationele. Beiden kunnen maar moeilijk met elkaar communiceren, zijn elkaars tegendeel. Als religieus wetenschapper moet men nu eens de ene dan de andere zijn. Ze vermengen leidt in de praktijk tot onbetrouwbare wetenschap en geformaliseerd geloof. Er is voorlopig geen afdoende oplossing voor dit dilemma. Het lijkt er wel op dat het de grootste evolutionaire uitdaging van de Homo Sapiens reflecteert: een afdoende leefbare ontwikkelingsvorm worden voor de menselijk dualiteit.

    Dualiteit is kenmerkend voor deze menselijke soort. Zelfs in de filosofie is het probleem een ingeburgerd begrip geworden. En ook in de ethiek is er de keuze tussen 'het goede' en 'het kwade'. Religieus is er het licht en het duister. En ook psychisch is er onze 'schaduw'. Maatschappelijk en menselijk is er natuur en cultuur. En dat zit tot diep in ons menselijk organisme ingeschreven. Dualiteit herbergt zowel het oude door de evolutie op punt gestelde reptielenbrein als het nieuwe beproefde neocorticale brein dat in staat blijkt los daarvan te denken. Het nieuwe brein is in staat de natuurlijke bevindingen en reacties van het oude om te buigen. Het kan deze beheersen. Het kan los daarvan nieuwe krijtlijnen uitzetten voor bevindingen en reacties, die met het reptielenbrein alleen niet kunnen. Daardoor kan het tot op grote schaal zijn natuurlijke omgeving cultiveren en dus omvormen. Het kan zich zelfs een tijdelijke virtuele omgeving scheppen, en meer dan een, waarin het nieuwe patronen kiest, die later door de evolutie eventueel kunnen worden ingevuld. De kansen zijn exponentieel toegenomen daardoor, en ook de risico's. Er is een enorm spanningsveld ontstaan in de menselijke geest.

    Maar er is vooral een interne strijd, die regelmatig naar buiten keert, om het ene op het andere af te stemmen. Het oude reptielenbrein met daarin de impulsen tot emoties voelt zich voortdurend beknot. Veel emoties, mooie en lelijke, goedaardige en gevaarlijke, komen nog nauwelijks aan bod op het moment dat ze dat van nature wel zouden doen en wachten af. Die momenten kunnen langer en langer gaan duren, naarmate de Homo Sapiens vordert in zijn opvoedingsproces van kind naar volwassene. Er wordt in dat opvoedingsproces veel ruimte en tijd vrijgemaakt voor de ontwikkeling van het nieuwe brein, het rationele, zoveel soms, dat het oude nog nauwelijks lijkt mee te tellen. Mensen worden in een conditioneel rationeel harnas gevat, waar zij slechts af en toe kunnen uit ontsnappen, omdat het nieuwe brein niet, of nog niet, aan alle behoeften in de juiste mate en op de juiste geïntegreerde manier kan tegemoet komen. Het lijkt soms teveel op de evolutie zelf vooruit te lopen. En deze spanning wordt vaak te groot.

    Dan zijn er allerlei tijdelijke ontsnappingsroutes. Het irrationele kan in een pseudo-rationeel doelnet worden gevat, bij voorkeur twee die, analoog met het interne dualisme, tegenover elkaar worden geplaatst, om daarin de erupties van opgekropte emoties op te vangen. Of er is de shoppingsroute waarlangs verlangenbevrediging op irrationele wijze tijdelijk kan worden opgestapeld door fopspeenvoldoeningen. Er is eventueel ook de therapeutische bijeenkomst in clubs waar dwalend zoekende geest en emoties op sociaal ingerichte wijze worden doende gehouden. Natuurlijk zijn er nog de elementaire voldoeningen van de lagere behoeften om die weer voor een tijdje te sussen, en er zijn zelfs allerlei minder natuurlijke genotmiddelen waar het reptielenbrein van andere soorten geen nood schijnt aan te hebben, of slechts accidenteel sporadisch en op zeer kleine schaal in terecht komt, zoals olifanten die overrijpe bananen hebben gegeten. Olifanten lijken overigens vaak niet zo heel ver van het menselijk probleem van integratie af te staan. Vooral de mannetjes kampen er geregeld met wat 'must' wordt genoemd, een toestand waarbij het primitieve brein relatief teveel van bepaalde hormonen produceert, waardoor ze gek van ongedurigheid worden en letterlijk alle cultureel opgelegde ketens, weliswaar weer door de mens, gaan verbreken en zelfs die mens breken, even letterlijk.

    Er is kenbaar een inwendig strijdveld ontstaan in de mens, dat zich regelmatig aan de buitenkant manifesteert. Het is het 'strijdveld van goed en kwaad'. Bij de mannelijke exemplaren komt dit meestal meer uitgesproken tot uiting dan bij de vrouwelijke, misschien omdat ze de verkennerrol spelen voor de toekomstige paden van de evolutie, maar de strijd is evenzeer in beide seksen en soms zelfs tussen beide, aanwezig, zij het bij de een minder opvallend dan bij de ander. Ook vrouwen hebben al eens 'last van hun hormonen'.

    Religie is zoals het woord het zelf zegt in principe de (her)verbinding. De dualiteit wordt eerst geschapen (tussen wat mag en niet mag, ter wille van het betere), dan ervaren als 'goed en kwaad', en daarna wordt gepoogd haar op te lossen in 'eenheid'. Religieuze praktijken en visies zijn gericht op eenheid met de oorsprong, tegen de trend van verscheidenheid en veelvuldigheid in die eruit ontstaan is, en die men in de vorm van de evolutieboom ziet weerspiegeld. Oude religieuze praktijken, zoals mysteriecultussen, leverden ook werkelijk de inwendige harmonisering van de tegengestelden in de menselijke ervaring. Men ervoer de goddelijke eenheid zoals ook mystici dit deden, die eventueel een geheel eigen persoonlijke weg naar innerlijke integratie van hun 'dierlijke' en hun 'menselijke' aard hadden gevonden. Zij lijken wel vooruitgeschoven exponenten van de evolutie te zijn op dat punt. De theorie en de praktijken die daarbij te pas komen zijn ofwel door henzelf of door anderen ontwikkeld, met vaak wisselende garantie op succes. De aanhang van mysteriecultussen was misschien wel meer te wijten aan de vooropgestelde hoop op inwendige verlossing van het lijden onder de tweeledigheid, en te danken aan de tweederangs eenheidservaring van de groep van gelijkgestemden, zoals men dat in elke club in zekere mate ervaart, dan aan de werkelijke waarde van de vooropgestelde eenheidsvisies en begeleidende praktijken om die te bereiken. Men ziet dit in nog meer uitgesproken mate bij de heel wat rationeler opgevatte grote religies die daaruit zijn voortgekomen of als reactie ertegen zijn opgesteld. Zij vervullen bij uitstek de rol van hoopgever en massaverzamelaar, waar talloze individuen zich toe aangetrokken voelen, die vluchten van hun individuele inwendige strijd, hen door de evolutie zelf opgelegd.

    Maar in feite is er geen ontkomen aan. Men kan de omstandigheden verfraaien en verzachten, men kan zijn tijd met nuttig geachte bezigheden opvullen, men kan afleiding zoeken in allerhande irrationele bezigheden en zelfs in rationele. Altijd blijft onderhuids, onderbewust de dualiteitspijn van het zijn zitten zeuren en knagen, ook bij wie het niet wil of kan zien of voelen. Mensen worden er onbewust door gemotiveerd om in actie te treden en te blijven. Het is de drijvende kracht van de evolutionaire schepping zelf die dit doet bij alle leden van haar stamboom. Religieuze mensen zouden zeggen dat het God zelf is die dit bewerkt, deze tweeheid in hen teweeg brengt, opdat zij één zouden worden met zichzelf en met Hem/Haar/Het. De belofte daartoe klinkt luider in de religieuze leer dan in de wetenschappelijke traktaten. Dus voelen zowel leken als wetenschappers, die de pijn ervaren, of die de zoete adem van de eenheid hebben geproefd, zich aangetrokken door de eeuwenoude lokroep van de religie om aan deze pijn te ontsnappen of om de eenheid nog een keer te ervaren. En dat kan zinvol zijn en helpen. Feit blijft dat ieder mens als uniek product van de evolutie deze innerlijke integratie van zijn dualiteit voor zichzelf moet realiseren, uiteindelijk met of zonder (en vaak ondanks) hulp van opvoeders, religieuzen, wetenschappers, zakenlieden, politici en alle anderen die willen 'behulpzaam' zijn.

    Copyright © Ben Pirard - 2007

    TOP

    Egyptische mythologie - 2008-02-21

    De Egyptische mythologie is mee van de meest ondoordringbare en complexe mythologieën die de mensheid ooit gekend heeft. De redenen hiervoor zijn:
    a. Het enorme tijdsverloop van bijna vier millennia waarin de Oude Egyptische beschaving zich situeert
    b. De grote geografische spreiding waarin zich in feite meerdere mythologieën tegelijk ontwikkelden die later samenkwamen
    c. Het ontbreken van een geschreven taal op het moment dat ideogrammen en visuele voorstellingen in het algemeen werden gebruikt om de abstracte filosofische en mythologische ideeën en concepten weer te geven.

    Deze factoren hebben geleid tot een bijna onoverzichtelijke verzameling afbeeldingen van godheden, waarin sommige details gemakkelijk over het hoofd worden gezien of niet worden begrepen. Bovendien zijn er vaak meerdere versies van zowel godheden als mythen. Dit heeft vooral te maken met de locaties waar deze zijn ontstaan of waar de onderlinge concurrentie van plaatselijke godheden en verhalen tot een status quo leidde. Belangrijke historische centra op dat punt waren op zeker moment de scholen van Memphis, Hermopolis, Elephantine (Thebe) en Heliopolis met elk hun eigen scheppingsverhaal. Daarenboven waren er ook nog kleinere centra zoals bijvoorbeeld Panopolis, waar eigen godheden of combinaties van goden en mythen werden overgeleverd.

    Geregeld is het voorgekomen dat de Egyptenaren zelf door de bomen het bos niet meer zagen en zo zijn in de lange geschiedenis ook een aantal 'systematiseringen' van hogerhand opgelegd en uitgevoerd.

    De Oude Egyptenaren kenden in feite ook geen transcendente god, maar eerder een immanente. Het goddelijke was altijd en overal mede aanwezig. Iedere natuurkracht, bovennatuurlijke kracht, wetmatigheid of facet van de kosmos werd niet alleen benoemd, maar ook aangeduid met een eigen visuele voorstelling. Om enigszins door te dringen in hun betekenis is het van belang hier enkele kenmerkende regels in te herkennen.

    Zo werd de netjer (zoals de 'godheden' werden genoemd, die later door de Grieken met het woord theos zijn aangeduid) oorspronkelijk niet afgebeeld, omdat men van oordeel was dat iedere afbeelding de aandacht van de werkelijke aard ervan zou afleiden. Slechts na verloop van tijd werd erin toegegeven hier toch enige afbeelding voor te gebruiken, een maatregel die uiteindelijk tot de visuele overdaad heeft geleid die de Egyptische mythologische voorstellingen kenmerkt.

    In de afbeelding zijn enkele wetmatigheden te herkennen die tot een beter begrip van de betekenis kunnen leiden. Zo werd een netjer eerst in predynastieke tijden vaak met een totemdier aangeduid. Dit totemdier kon dan verschillen naargelang de locatie. De netjer Sobek bijvoorbeeld kon worden afgebeeld als een krokodil, of bijvoorbeeld de vorm van een leeuw aannemen. Zeer spoedig werd voor een antropomorfe afbeelding gekozen, maar werd het hoofd met dat van het totemdier aangegeven, of werd daarboven nog een speciaal symbool geplaatst. Die symbolen of kronen konden uiteindelijk steeds meer samengesteld zijn uit dergelijke symbolen van dezelfde godheid uit verschillende locaties. De samengestelde Egyptische kronen zijn hier een voorbeeld van. Soms werden die ook nog met ramshoorns of stierenhoorns aangevuld, met een enkele of dubbele uraeus, met plantendelen en veren enzovoort. Al deze tekens spreken in stilte een eigen beeldtaal van symbolen die op specifieke betekenissen duiden. Bovendien zijn er nog de verschillende houdingen, zoals een beschermend of zegenend gebaar, het bij de hand nemen ter begeleiding, het zitten op een troon als teken van macht. Verder ontdekt men nog een heel gamma van attributen zoals verschillende soorten scepters en staven, die elk een eigen soort bevoegdheid aanduiden. Bijvoorbeeld de medu-stok die staat voor het recht op spreken, het voor het zeggen hebben. Of de shen ring, die duidt op heerschappij over of voor de eeuwigheid, of de renpit, een gekerfde palmbladnerf die staat voor een zekere tijdsgeldigheid, het ankh teken, dat de aanwezigheid in een andere dimensie, die van het hiernamaals, kenmerkt, enz.

    Om de beelden verder te nuanceren en te verklaren zijn er meestal hiërogliefen toegevoegd. Dit zijn aanvankelijk eveneens ideogrammen, dus visuele weergaven van ideeën, en pas later worden ze tot fonogrammen omgebouwd. Soms komen beide vormen tegelijk door elkaar voor in de beschrijvingen van de mythen, die de bewegingen en verbanden weergeven die bij de afbeeldingen, meestal in reliëfvorm en ook nog gepolychromeerd, horen.

    De Oude Egyptenaren waren duidelijk beelddenkers. De stilstaande beelden die zij voortbrachten bevatten kennelijk veel meer dan ze op het eerste zicht prijsgeven. Om het Egyptisch mythisch denken te begrijpen is een zeer diepgaande uitgebreide studie nodig.

    Copyright © Ben Pirard - 2008-02-21

    TOP

    Copyright © Ben Pirard

    thuispagina Laatste wijziging: door B.Pirard (©) 17 april 2008 10:25, email contact - Copiëren toegelaten mits bronvermelding -